Déjà vu


Door: JOYCE ROODNAT

Deze zomer studeert de eerste van de vier laatste lichtingen studenten af die de Filmacademie oude stijl konden volgen. Zoals Hans Beerekamp vorige week in het CS berichtte, zullen op de Nederlandse Film en Televisie Academie met ingang van het komend studiejaar, in plaats van de gebruikelijke twintig, vijfenzeventig eerstejaars moeten vechten om de aandacht van de leerkrachten. Het valt nog af te wachten hoeveel Van hen het zullen redden tot en met liet laatste jaar, maar het zullen er zeker meer zijn dan de veertien die dezer dagen hun acht, gezamenlijk gemaakte, eindexamenfilms presenteren. Een directe relatie tussen aantal kandidaten en kwaliteit van de films mag niet worden gelegd. Het vorige jaar waren dat er niet zoveel meer en toen was de gemiddelde kwaliteit desastreus. Gecoacht door Olga Madsen en Jef Nassenstein, academiedocenten annex filmakers, zijn de produkties van het het jongste eindexamen zonder uitzondering op zijn minst behoorlijk geworden. De verhouding tussen documentaires en speelfilms is dit jaar evenwichtig. Vier van de acht films vertellen een fictief verhaal, vier kandidaatregisseurs profileerden zich als documentairemakers. Het niveau van twee van de speelfilms is zo hoog dat de omroepen maar vast moeten gaan vechten om de uitzendrechten. Jorge Hoogland deinsde in zijn Déjá vu niet terug voor een beladen onderwerp de relatie tussen een stervende vrouw en haar kleindochter dat hij, zonder spoor van melodrama, diepzinnig en in een verbluffend intieme sfeer wist weer te geven. Zo te zien is vooral zijn omgang met zijn acteurs daar debet aan, geweest, al mag de beheersing van zijn beeldregie evenmin worden onderschat.